Gepubliceerd in: Tijdschrift voor Jeugdbeleid , jaargang 1, nr.3, september nummer, p.149

Op 6 juni j.l. presenteerde de programmaminister van Jeugd en Gezin op de ‘Kindertop’ in Hilversum zijn plannen voor het jeugdbeleid. Voorafgaand aan deze Kindertop bezocht minister Rouvoet één dag per week verschillende jeugd- projecten en -instellingen.

Het idee van een ‘Kindertop’ lijkt op de ‘World Summit for Children’ van de Vere- nigde Naties in New York, waar in 1990 wereldleiders bijeen kwamen. Op de tweede top in 2002 beloofden de afgevaardigden, tijdens een speciale zitting van de Algemene Vergadering van de VN, met hernieuwde energie, de rechten van het kind te zullen respecteren.

Tegen deze achtergrond was de term ‘Kindertop’ wel wat pretentieus. Zelfs de betrokken ministers (Onderwijs, Justitie en Volksgezondheid) schitterden door afwezigheid; slechts staatssecretaris Dijksma van OCW was aanwezig. Als dit een voorbode is of de komende jaren kinderen en jongeren wel of niet meer prioriteit gaan krijgen, doet dit het ergste vrezen.

Na hun onderzoek naar effectieve go- vernment structures for childen, conclu- deerden de Britse onderzoekers Hodg- kin en Newell in 2001 dat er één over- koepelende strategie nodig is, als in- tegraal onderdeel van het regerings- beleid, met het Internationaal Ver- drag van de Rechten van het Kind als uitgangspunt. Ze pleitten daarom voor een kabinetscommissie, be- staand uit alle voor het jeugdbeleid verantwoordelijke ministers. Deze commissie moet de lange termijn doe- len formuleren en zorgdragen voor de toepassing van artikel 12 van het In- ternationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, dat ‘het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, in alle aangelegenheden die het kind betreffen, (…) wordt ge- hoord en dat daaraan een passend be- lang wordt gehecht’.

Programmaminister

Inmiddels is er in verschillende lan- den ervaring opgedaan met een programmaminister voor kinderen (o.a. in Duitsland, Oostenrijk, Hon- garije, Noorwegen en Schotland). De meest effectieve structuur is mijns inziens in 2005 gekozen in Ierland, waar de programmaminister de opdracht mee kreeg om grotere samen- hang te krijgen in het jeugdbeleid van de verschillende departementen.

Daartoe werden zijn ambtenaren gestationeerd in de verschillende minis- teries. Het door minister Rouvoet ge- kozen model lijkt op dit Ierse model. Alles staat of valt echter met de poli- tieke steun (middelen en bevoegdhe- den) die een dergelijke minister krijgt. Kortzichtig beleid van bezuini- gingen en sluitingen heeft ertoe ge- leid dat veel van wat eerder onnodig werd afgebroken, nu weer moet wor- den opgebouwd. Voor orthopsychiatrische klinieken staan jongeren met ernstige psychische problemen (waaronder suïcidaal gedrag) zeker negen maanden op de wachtlijst. Ondertus- sen is voor kinderpsychotherapeuten, psychologen en psychiaters de admi- nistratieve rompslomp enorm toege- nomen en zwaaien managers – die geen verstand hebben van het werk met kinderen – steeds meer de scepter in steeds groter wordende jeugdzorginstellingen.

Noorse wet

De discussie moet echter niet beperkt blijven tot de samenhang in het jeugdbeleid en de hoeveelheid poli- tieke steun. De opinies van kinderen zélf moeten een stem krijgen. Om dit   te realiseren zou de Tweede Kamer het voorbeeld van hun Noorse collegae moeten volgen, die reeds in 1981 de Kinderombudsman-wet aannamen.

De Raad van Europa beval in 1996 haar lidstaten aan een dergelijke onafhan- kelijke Kinderombudsman te benoemen.

Dat in veel landen wel een Kinder- ombudsman is en bij ons niet, ge- voegd bij de weinige aandacht voor de Kindertop van minister Rouvoet van de politiek, laten ook zien dat we nog een lange weg te gaan hebben met het verbeteren van de maatschappelijke positie van kinderen en jongeren.

Inmiddels kennen niet alleen alle Scandinavische landen en Frankrijk een speciale onafhankelijke Kinder- ombudsman, maar ook landen als Macedonië, Malta, Polen en diverse landen buiten Europa. De Kinder- ombudsman geeft de regering ge- vraagd en ongevraagd advies en con- troleert of het beleid integraal wordt doorgevoerd. In veel landen kunnen kinderen zelf ook terecht bij de Om- budsman. Nederland was een paar jaar voorloper met de kinderrechts- winkels, maar die kregen een aantal jaren geleden een genadeklap van mi- nister Donner en stellen helaas niet meer zoveel veel voor. Een Kinder- ombudsman kan een deel van deze lacune opvullen en met meer gezag bekleed nagaan wie de zaak van het met een vraag aankloppende kind het beste kan oppakken. Ook zou de wet- geving moeten toelaten dat een Kinderombudsman later de follow-up kan doen (ook bij provincies en gemeenten).

Eigen waakhond

Het is opvallend dat in Nederland een zo noodzakelijke, officiële stem voor kinderen ontbreekt. De keuze voor een Kinderombudsman vereist moed van zowel de Kamer, als de regering. Een ombudsman zal de regering im- mers steeds op lacunes en misstanden wijzen. Maar het welzijn van kinde- ren is een te serieuze zaak om het te laten   bij   incidentele   bijeenkomsten en kamerdebatten na tragische inci- denten. Kinderen hebben in Neder- land hun eigen waakhond nodig, die toeziet op naleving van de wetten met betrekking tot kinderen en hun positie in de samenleving verbetert.

Noten

  • Deze tekst wordt gepubliceerd op persoon- lijke titel. Het is een licht bewerkte versie van een toespraak tijdens een bijeenkomst van vertegenwoordigers van de jeugdzorg in de provincie Noord-Brabant.
  • Zie voor de verkenning Bouwstenen voor een betrokken jeugdbeleid de website van de WRR: wrr.nl.

download dit artikel als .pdf (43 kb)